dinsdag 6 november 2012

Laatste gedicht (4)

 
Nogmaals grassère, het laatste gedicht in Van de maltentige losbol:
 
grassère
 
dwars door mistroostige mist
blijft hij van herfst naar lente ons vervoeren
deze lachende alchemist
met zijn picturale partituren
 
Van de roerloze woelgeest had Lucebert afgesloten met het beeld van een wereld ‘zonder morgenrood zonder jaargetijden zonder taal’ – een wereld die uit niets meer bestond dan uit wat hier ‘mistroostige mist’ wordt genoemd. Het slotgedicht uit die bundel van een jaar eerder riep een doodse wereld op – een wereld waarbij vergeleken Dantes hel een kleurrijke bedoening was. In Van de maltentige losbol is die doodse wereld in zekere zin een realiteit. Niet alleen herdenkt Lucebert in grassère zijn overleden buurman, de bundel zelf verscheen postuum. Een dichter spreekt zich uit over wat er van het werk van een schilder zal blijven: het zijn partituren die ‘wij’ tot leven kunnen brengen. Het is een boodschap die we te horen krijgen van een dichter die wist dat hij ons vanuit zijn eigen schimmenrijk zou bereiken.
 
Kunst kan nogal wat, dus. Over het graf heen blijft het werk van een schilder en bereikt ons een dichter – wanneer een bundel postuum gepubliceerd en gelezen wordt, gebeurt dat laatste per definitie. Toch: elke keer als ik Van de maltentige losbol lees, overvalt grassère me als een onverwacht slotakkoord. Zo inktzwart was Lucebert in zijn drie vorige bundels – juist over wat kunst vermag; zo inktzwart is hij af en toe ook in Van de maltentige losbol: een woordcombinatie als ‘lachende alchemist’ zou in het meeste wat aan grassère voorafgaat, eerder als aanduiding worden gebruikt voor de leugenachtigheid van kunst en kunstenmakers dan voor een onverwoestbare kracht. Het geldt zelfs voor mieren eten, het vóórlaatste gedicht:
 
            mieren moet men eten en schoonheid dienen
            met gestaalde edele delen steden bestoken
            het klinkt goed maar doet de oren pijn
 
En even later:
 
            dichten en bezweren is dan ook hardnekkig zingen
            met een pruillip zo ontstaat de hele mens laag voor laag
            hij die martelend miert (…)
            hij die het eigen monster melkt voor elk drinkgelag

Dat Gérard Grassère enige verwantschap zou vertonen met zo’n ‘hij’, dat Lucebert zelf, de dichter van grassère, ook maar iets weg zou hebben van zo’n ‘lachende alchemist’, is na deze regels moeilijk voorstelbaar. Toch is grassère het gedicht dat meteen op deze regels volgt; toch wordt Lucebert, de dichter die postuum zijn werk laat lezen, juist door die handeling een alchemist die ons partituren voorzet. Heel wat zelfs: Van de maltentige losbol bevat meer dan zestig pagina’s poëzie.
 
Het betekent, misschien, dat wat Lucebert aan poëticale ideologie uitdraagt, in de praktijk van zijn poëzie wordt gerelativeerd. Taalscepsis, scepsis omtrent wat een dichter met zijn poëzie kan bewerkstelligen, was al te vinden bij de vroege Lucebert – de Lucebert van vóór het writer’s block en de lange bundelloze periode. In zijn beroemdste gedichten vaak: gedichten als ik tracht op poëtische wijze en school der poëzie. Daar staan andere beroemde gedichten tegenover: extatische liefdesgedichten en gedichten vol mystieke vervoering. De vroege Lucebert was óók de dichter van wij zijn gezichten, ik draai een kleine revolutie af en lente-suite voor lilith. En de sceptische gedichten – wat en hoe er ook gehoond wordt in school der poëzie: het gedicht kent een gedreven ritme en een sonoor eindrijm. ik tracht op poëtische wijze heeft een retorische ademruimte die bij de late Lucebert zou gaan ontbreken – de Lucebert die mij eerder deed denken aan toneelschrijvers als Beckett en Bernhard dan aan een lyricus. Bij de vroege Lucebert staat het pessimisme aangaande mens, taal en wereld op gespannen voet met de lyrische Schwung en de retorische effecten die zijn poëzie in de jaren vijftig zo bijzonder maakten. Luceberts vroege poëzie lijkt doortrokken van ambivalentie. Juist die ambivalentie is bij de late Lucebert verdwenen.
 
Tot Van de maltentige losbol, zeg ik voorzichtig. Er is het slotakkoord. Er is, daarnaast, een poëtische praktijk die enigszins lijkt af te wijken van die in de drie voorgaande bundels. De versregel is terug – de visuele versregel die de neerslag vormt van een akoestische eenheid. Als ik me niet vergis, zijn de versregels in Van de maltentige losbol over het algemeen wat korter dan in de voorgaande bundels. Het lijkt een nietszeggend detail, maar het betekent dat de bladspiegel wat minder volloopt met clausen en frasen en iets meer met versregels die zich als een akoestische eenheid hebben aangediend. Last looks, last books heette het boek van Helen Vendler waarnaar ik eerder verwees. Misschien construeer ik te veel Bejahung in een late levensfase, maar uit grassère spreekt hoe dan ook een zekere verzoening met wat een kunstenaar doet en wat een dichter kan.

 
(vrijdag gepubliceerd op Neder-L)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen