zondag 28 oktober 2012

Laatste gedicht (2)

 
alleen bij het ernstig en radeloos
rondwaren in dit lege land zonder redding
kust men plots – doodgoed – zijn eigen kwade hond
en zo – uit zelfrespekt – houdt men zijn mond
 
De laatste strofe van een goed woord vindt steeds een goede plaats, het laatste gedicht in De moerasruiter uit het paradijs. Zelden zullen vijf strofen een titel zo hebben tegengesproken. ‘Zwarte ironie’ is geen gangbare combinatie, geloof ik, maar ze lijkt me hier nogal bruikbaar.

De moerasruiter uit het paradijs was de bundel waarmee Lucebert in 1982 zijn writer’s block achter zich liet. Zeven jaar later verscheen Troost de hysterische robot en daarin is de toonzetting niet veel anders. De bundel kent geen titelgedicht, maar een titeloratorium van zo’n vijfentwintig bladzijden. Het vult het tweede gedeelte van de bundel. Liederen van personages en koorzangen wisselen elkaar af. Zo is daar tegen het slot het lied van de eenzame man:
 
klaarlichte dag
tussen ingehouden bloeddorst
en trage stoelgang verstard
mijmert de zanger
 
De zanger krijgt gezelschap van ‘thanatos judas eros/ teder betreden zij allen/ het onbevlekte land.’ Er lijkt zich een idylle te ontvouwen: ‘in het onbezonnen licht/ met iets van stemverheffing / en vol levenskracht.’ Waar dat toe leidt, blijkt even later:
 
elke systeem baart zijn ruïne
met dierlijke of illustere geluiden
storten regeringen in
als zonnen onder de vette zoden
onder de vette zoden die verzanden

In het koor dat de bundel afsluit, krijgen planeetbewoners die zich illusies maken er nogmaals van langs:

stap voor stap van trap naar trap
gaan wij gare naast halvegare
luchthart naast treurniet altegader
even onnozel als gezond

In 1992 verscheen wat Luceberts voorlaatste bundel zou blijken te zijn: Van de roerloze woelgeest. Het slotgedicht heeft als titel de nederlaag en er is waarschijnlijk geen gedicht in Luceberts oeuvre waarin de hopeloosheid van ’s mensen leven en streven onverbloemder onder woorden wordt gebracht. Als er al zoiets als hoop zou bestaan – de hoop van hoopvolle filosofen bijvoorbeeld – wordt die in stukken geslagen door doodseskaders waaraan ook de ‘ik’ niet kan ontsnappen:

de marmersnijder en de schedelmeter ontwaarde ik
in de eeuwigheid zou ik uittreden en deel zijn
van doodseskaders die de bedevaart van bedelaars
en hoopvolle filosofen verstoren en uiteenrijten
zodat een ieder dwaalt in eeuwig onbehagen
zonder dageraad zonder lenteboden zonder liefde
zonder morgenrood zonder jaargetijden zonder taal

Zonder taal, zonder wat dan ook blijft iedereen achter. Taalscepsis – die kennen we van Lucebert: ik tracht op poëtische wijze is het beroemdste voorbeeld. Maar hier gaat het verder en tot in de titel laat dat vroegere gedicht het verschil zien. Bedelaars op bedevaart en filosofen vol hoop - na zijn bundelloze periode van achttien jaar heeft Lucebert afstand gedaan van wat een dichter metafysisch en maatschappijkritisch allemaal zou kunnen trachten. Een toestand van taalloosheid kon bij de vroege Lucebert óók een manifestatie zijn van een extase – een intense extase die in de richting gaat van het mystieke. Een nastrevenswaardige dood in het leven die juist in, met of door de poëzie kon worden bereikt. Bij de late Lucebert beleven taallozen het omgekeerde: ze zijn dolende schimmen in een onderwereld. Een dichter die op dat moment bijna 800 pagina’s poëzie op zijn naam heeft staan, kiest een slotakkoord. Wat heeft hij – ‘ik draai een kleine revolutie af’ – tot stand gebracht of wat zou hij tot stand kunnen brengen? Geen dageraad, geen liefde, geen morgenrood, geen taal. Het is niet anders: poëzie brengt niets te weeg. Meer dan aan dat gedicht van Auden doet de late Lucebert mij denken aan de late Beckett. In verbeten frasen wordt vastgesteld hoe het is.

En dan is daar grassère: het laatste gedicht in Van de maltentige losbol, de bundel die al een jaar na Van de roerloze woelgeest verscheen. Ik kan me een interview of interviews met Lucebert herinneren waarin hij zich uitliet over zijn ziekenhuisopnames en over de cruciale rol die het schrijven van poëzie ging spelen – het enige wat hij vrijwel zonder beperkingen kon. De dichter wist dat Van de maltentige losbol zijn laatste bundel zou zijn, een kort gedicht over een bevriende kunstenaar sloot die bundel af. En dan zijn daar opeens weer de jaargetijden: ‘dwars door mistroostige mist / blijft hij van herfst naar lente ons vervoeren.Last looks, last books is de titel van een beroemd boek van de Amerikaanse criticus Helen Vendler over de laatste bundels van dichters die wisten dat ze zo ongeveer voor de laatste keer om zich heen keken. Niet zelden veranderde de toon en de aard van hun werk. Het is verleidelijk om te denken dat het ook bij Lucebert gebeurde.


Wordt vervolgd

(vrijdag gepubliceerd op Neder-L)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen