zaterdag 14 november 2015

Ver van huis


Over het samenstellen van een dichtbundel

Gedichten schrijven en ze af en toe publiceren in tijdschriften, is één ding; een dichtbundel is weer wat anders. Sommige dichters bouwen een bundel volgens een vooropgezet plan en zijn in staat om doelgericht te schrijven; de meeste maken een keuze uit wat ze hebben en ontdekken al schiftend en herschrijvend een structuur, een lijn of zelfs een thematiek. Ik hoor tot de laatste groep. Poëzie, kunst in het algemeen misschien wel: het zijn in een vorm gestolde projecties van wat je geest bezighoudt. Dat mijn geest enige coherentie vertoont, is daarbij een nuttige werkhypothese.

Wie Een ernstig gezicht leest, en soms doe ik dat zelf, ziet heel weinig verwijzingen naar mijn schoolbestaan. Is dat bestaan niet belangrijk? Blijkbaar niet in die compartimenten van mijn geest waar ik me ophoud als ik schrijf. Maar dan toch: aan het slot is er een kort gedicht waarin sprake is van klaslokalen en een verblijf onder de Middellandse Zeezon. Dat moet de Romereis wel zijn. Niet daarom, maar omdat het een gedicht is met een sentiment dat verder niet zoveel in de bundel voorkomt, heb ik lang geaarzeld of ik het op zou nemen. In zo'n geval zijn meelezers erg belangrijk.
 

Ruimtes waar we niet zijn 

Zoals mijn hand het raakt zou ik het willen beschermen.
In ruimtes waar we niet zijn: klaslokalen, sportvelden,
eindeloze velden onder een Middellandse Zeezon.
De zon raakt het hoofd dat je bedekt, zo heb ik het je
geleerd.
De stad, zeggen ze, ligt aan de voet van een berg.
Langzaam stijgen we langs de voet omhoog.
Vloedgolven golven de andere kant op.

 
Het sentiment dat volgens mij typerender is voor de bundel is te vinden in een gedicht dat de laatste maanden een raar soort actualiteit heeft gekregen. Wat dat sentiment precies inhoudt, kan ik moeilijk onder woorden brengen; dat proberen de gedichten nu juist te doen. De gewaarwording ver van huis te zijn - zoiets. Het is in beide gedichten terug te vinden.


Geen vreemdeling 

Een traag gebed de lucht doen zoeken,
opdat vreemdelingen de
stemmen horen en zich vestigen op ons
domein, zich thuis voelen.

Over velden kwam de wandelaar en
maakte ons gelukkig. Maar wie was
hij? Hij was ver van huis.
Gun ons onze goden.
Ze luisteren naar een traag gebed.

Als je goed luistert, hoor je geen enkele
stem. Er is geen vreemdeling
binnen de muren, geen wandelaar
loopt rond.


Gisteren gepubliceerd in het personeelsblad Opstand

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen