dinsdag 4 december 2012

Van inspecties en uitvaarten


Erachter gekomen wat me ergert aan de Eenzame Uitvaart. ‘Ergert’ is misschien te drastisch uitgedrukt; ‘irriteert’ - is dat zwakker? Een licht hinderlijk malaisegevoel. Een steentje in de schoen dat net niet vervelend genoeg is om en plein public die schoen uit te doen. Zaterdagmiddag in de Kalverstraat.

Aan de dichters ligt het niet. Goede dichters soms. En/of sympathieke. Rituelen op de Grote Levensmomenten: ik ben er gevoelig voor. Dat een eenzame dode niet ongezien voorbijgaat – ik ben bereid te erkennen dat het een blijk is van beschaving. Maar er wringt iets.

Ik las vanochtend een recensie van de bundel Celinspecties van Esther Naomi Perquin. Recensent was de dichter Ton van ’t Hof, die op zijn blog gedichten plaatst, vertalingen van Amerikaanse dichters, autobiografisch associeert en nu de bundels recenseert die zijn genomineerd voor de VSB-prijs. Over Celinspecties was hij niet heel erg enthousiast.

Dat heeft te maken met de poëtica van Perquin waartoe hij een grote afstand voelt – meer afstand dan ik, geloof ik – maar vooral ook met iets anders. Perquin werkte een tijdlang als gevangenbewaarder en haar bundel vormt daar een neerslag van. Hij bestaat voor een gedeelte uit portretten van gevangenen. Van ’t Hof citeert een gedicht over de pedofiel Jacob de B. en ergert zich aan wat een empathische act lijkt, maar misschien niet meer is dan ‘een pervers fantasietje, dat niets zegt over de dader (…) maar alles over de minstreel zelf.’ Zijn conclusie: ‘Perquin heeft de regie, houdt de controle, laat niets aan het toeval over.’

Perverse fantasietjes ben ik bij uitvaartgedichten niet tegengekomen, maar de parallel is opvallend. Ook in uitvaartgedichten wordt geprobeerd een portret te schetsen – ook daar gaat het om een outcast. Er vindt iets plaats dat buiten de maatschappelijke orde valt – een eenzame begrafenis, een aanranding of verkrachting. We worden geconfronteerd met personages die zich, gewild of ongewild, buiten die maatschappelijke orde ophouden. Ze zullen nooit iets terugzeggen, maar we tekenen hun portret. We hernemen de regie, houden de controle, laten niets aan het toeval over.

Het heeft iets leugenachtigs waarvoor een dichter zich niet zou moeten lenen. Het is een vorm van machtsuitoefening waarvoor een dichter zich niet zou moeten willen lenen. Het getuigt van bemoeizucht die een ambtenaar past, een onderwijzer of een dominee. Het is het woordje ‘we’ dat de dichter Ramsey Nasr ons toevoegt op kanseltoon. Een dichter kijkt naar de wereld of in de spiegel en weet dat hij het over zichzelf heeft.

Alleen muziek bij die uitvaarten, zou ik zeggen. En de anonimiteit van ingesleten formules.


(zaterdag geplaatst op Neder-L)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen