woensdag 15 augustus 2012

Laatste gedicht (1)


Inleiding tot het gebergte

Kon je, voor één keer maar, de ogen hebben
van de oude godenbeelden
en de dorst voelen die achter hun gelaat ligt
als een veld zonder beweging,
elke richting, elke passaat
in hen verzadigd.
Kon je hen toch zijn, hun blinde, grote hoofd
dat altijd groter dan hun lichaam is;
kon je het vloeken zijn dat in hun mondhoeken
van hout of steen ligt vastgevroren,
om hun dorst
en om de beeldhouwer die vóór hen was.
Het veld ligt in de droge, witte middag
waaruit geen terugkeer mogelijk is;
naar dode takken in een willekeurig midden
rijst de stilte, laait de stilte op.
Kon je de goden kennen en de aardrijkskunde
van hun spieren en hun zoute lach;
kon je de vreemdeling ontmoeten die zich daar beweegt
en die je achteloos je naam vraagt, je bedoeling
aan de zijne koppelt en weer verder loopt
met jou, een middag vlammend
als het heersen van je dorst.

Peter Ghyssaert, Ezelskaakbeen, Amsterdam/Antwerpen 2011.


Het laatste gedicht uit de bundel. Een merkwaardige titel. Het gebergte waartoe we worden ingeleid, is verder in het gedicht niet te vinden. Inleiding tot het gebergte is ook de titel van de laatste afdeling in de bundel. Die afdeling telt achttien gedichten. We worden meegenomen naar een veranda aan zee, een markt, een voortuin en een baan om de zon, maar nooit naar een gebergte.

Een laatste gedicht is wat anders dan een eerste gedicht. Het eerste gedicht was de titel van een fraaie reeks besprekingen op het poëzieweblog De Contrabas. Hoofdredacteur Breukers probeerde zo onbevangen mogelijk openingsgedichten van bundels te lezen – met de onbevangenheid van een lezer die een bundel op de eerste bladzijde openslaat. Een lezer die doet wat de dichter wil, is op de laatste bladzijde zijn onbevangenheid kwijt. Aan de context die al in zijn hoofd zat, heeft hij de context van de zojuist gelezen bundel toegevoegd. Tegelijkertijd blijft die lezer een lezer en kan hij doen wat hij zelf wil - terugbladeren bijvoorbeeld. De lezer stelt zich een vraag en ontdekt dat in wat hij eerder heeft gelezen de nodige aardrijkskunde te vinden is, maar geen gebergte. Dit slotgedicht, dat pretendeert een inleiding te zijn – het doet precies wat het belooft. We worden ingeleid. Waartoe is nog onduidelijk, maar het is tot iets buiten de bundel.

Dat komt vaker voor bij een slot. Het is, sinds we afscheid hebben genomen van een happy end, misschien wel kenmerkend voor een slot. In moderne romans, vond Vestdijk al, probeert de schrijver de illusie van levensechtheid te wekken. Het volle leven doet niet aan afsluitingen. Elk einde is identiek aan een nieuw begin en de romancier kan die basiservaring van de moderne mens maar beter recht doen. In Het pernicieuze slot beschrijft Vestdijk een aantal mogelijkheden waarover de romancier kan beschikken. Bij een daarvan komen we aardig in de buurt van het gedicht van Ghyssaert. Vestdijk schrijft: “Even naïef, maar doeltreffender en ook vaker toegepast, is het slot waarvan de staart afgeknapt is: de laatste twee of drie regels worden verzwegen, de lezer mag raden, voelt zich wellicht beetgenomen, maar tevens wordt de illusie gewekt van een beweging die zich nog over de typographische grenzen van het boek heen voortzet en daardoor toch nog van een ‘begin’.” Even later noemt hij het, met een fraaie muzikale metafoor, het ‘doortrillen van het voorlaatste accoord.’

Mogelijkheden beschrijven is ook wat Barbara Herrnstein Smith doet in Poetic Closure, a Study of How Poems End, een studie uit 1968 die al bijna een halve eeuw invloedrijk is. Met Vestdijk heeft ze gemeen dat ze de manier waarop een auteur een roman of een gedicht afsluit, beschouwt als de uitkomst van een weloverwogen keuze. Dat lijkt een vanzelfsprekendheid, maar daar kon juist in de jaren zestig anders over worden gedacht – het decennium van readymades, van Fluxus. Het gekke is: als ik een alinea typ over Vestdijk, dan lijkt hij niet heel ver af te staan van de ambities van een Fluxuskunstenaar. Het gaat natuurlijk altijd om levensechtheid. Het verschil is dat Vestdijk geen kunstgrepen bespreekt die hij niet naïef en illusoir vond. Van een dergelijke scepsis had zijn Fluxuscollega weinig last – in ieder geval niet op het moment dat hij aan het werk was. Dan isoleerde hij het leven zelf.

Zo’n avantgardistische traditie is zeker geen traditie waarmee Ghyssaert zich verwant voelt. Ezelskaakbeen is zijn zevende bundel. Zijn debuut, Honingtuin uit 1991, heb ik indertijd gelezen. Ik volg de Nederlandse poëzie niet als een boekhouder, maar als iemand die zelf het idee heeft dat hij schrijft. De poëzie van die onbekende nieuwe dichter - wat gebeurt daarin? Is het interessant? Zou het eventueel kunnen lijken op wat ik doe? Existentiële vragen. Ik beantwoord ze en ga over tot de orde van de dag – tot die orde behoort een wisselend, maar altijd klein groepje van dichters die ik lees en herlees. Daartoe zou Peter Ghyssaert niet snel gaan behoren, vermoedde ik. Die gedichten in Honingtuin – ze waren nogal braaf. Het beperkte bereik van één emotie: melancholie. Niet minder beperkte formele ambities: Koplandachtige vrije verzen met af en toe een enjambement. Waar Kopland zich nog wel eens wil laten gaan in uitspraken omtrent mens en kosmos, leek Ghyssaert te blijven steken in sfeer. Rococo, klassieke muziek; honingtuinen en sneeuwlandschappen. Sierlijk wenen om het voorbijgaan der dingen. Urenlang verfijnd tafelen. De tafellakens blijven smetteloos. Daar worden we ook niet gelukkig van. Af en toe klinkt een viola da gamba.

Ik ben niet de enige die zo naar Ghyssaerts werk kijkt. De meeste poëzielezers in Nederland en Vlaanderen hebben, vermoed ik, zich een beeld gevormd van Ghyssaert en zijn poëzie dat hierop lijkt – het is een opvatting die nogal eens terugkomt in encyclopedische stukjes. Geen lezer leest zonder context; tot de context van Ghyssaerts poëzie behoort op zijn minst alles wat hij tevoren schreef. De eerste indruk is beslissend voor de vraag of de kandidaat wordt aangenomen; negentig procent van de eerste indruk wordt bepaald door uiterlijk en lichaamstaal – wonderlijk dat zoveel mensen een baan vinden. Ezelskaakbeen werd, evenals zijn voorganger Kleine lichamen, genomineerd voor de VSB-prijs. We bevinden ons in de context van gehonoreerde pretenties. Jubileum en andere gedichten uit 1997 was de enige andere bundel van Ghyssaert die ik kende. Het leek me hoog tijd om weer eens wat van hem te lezen.


(gisteren gepubliceerd op Neder-L)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen